Artikelen

Hiram in de geschiedenis (deel 2 – Schroepfer)

Hiram in de geschiedenis (deel 2 - Schroepfer) 1

Een van de avonturiers, van wie het nog steeds twijfelachtig is of hij nu wel of niet over occulte krachten beschikte, was een zekere Schroepfer, een bankroete herbergier in Leipzig. Hij leek als enig doel te hebben, zo veel mogelijk geld te verdienen en dat net zo snel uit te geven als hij het had verworven.

Hij nam de naam ‘Von Steinbach’ aan en pretendeerde een Frans kolonel te zijn. De hertog van Orleans zou hem als geheim ambassadeur hebben aangesteld, met de opdracht de vrijmetselarij te hervormen en een verbintenis met de Jezuïeten tot stand te brengen, die in die tijd verdreven werden. Deze Jezuïeten beschikten volgens hem over enorme schatten, die zij aan hem hadden toevertrouwd. Zijn bedoeling was echter, dit geld aan te wenden ten bate van het land. Iedereen die er een deel van wilde verwerven, moest te biecht gaan en zijn leven beteren.

Het is welhaast onvoorstelbaar dat iemand die bij zijn volle verstand is, zulke nonsens zou geloven. Feit is echter, dat wanneer het vooruitzicht op het binnenhalen van geld aanwezig is, de meeste mensen klaar staan om zowat van alles te geloven. Schroepfer bezat het wonderbaarlijke vermogen om het vertrouwen te winnen van degenen die zich in zijn buurt bevonden. Ook had hij enige kennis van de chemie, wat hem een wetenschappelijk aureool verleende. Zo kwam het, dat zelfs bepaalde mensen met een hoge maatschappelijke positie aan zijn beweringen geloof hechtten.

Om volledig macht te krijgen over zijn slachtoffers, deponeerde hij een verzegeld pakket in een bank in Frankfurt, dat aan hem teruggezonden moest worden zodra hij dat mocht verlangen. Dit pakket zou verscheidene miljoenen in bankbiljetten bevatten, maar het bevatte, zoals men kon verwachten, niets anders dan bruin papier. Op basis van dat vermeende deposito, waarop men toen niet de hand kon leggen, leende hij grote sommen gelds. Hij verwierf zelfs het vertrouwen van de hertog van Cairland, in wiens aanwezigheid hij in het paleis de verschijning van de ridder van Saxe deed plaatsvinden. Een ooggetuige beschrijft deze scène als volgt. Het grote vertrek waarin de geest moest verschijnen, had de vorm van een theater en was voorheen gebruikt om er besloten spelen en opera’s te houden. De waarnemers zaten in een halve cirkel en kregen de strikte opdracht onder geen enkele omstandigheid hun zetel te verlaten, noch het apparaat aan te raken of te onderzoek dat voor de geestenbezwering werd ingezet, op straffe van de vreselijkste gevolgen. Voorts moesten zij zweren dat zij achteraf niet zouden onthullen wat zij hadden gezien.

image010

De hertog, zijn minister Von Wurmb en andere hoogwaardigheidsbekleders waren aanwezig. Schroepfer verscheen, knikte het gezelschap toe en besteeg op hooghartige wijze het platform. De hertog had aangegeven dat hij de ridder van Saxe wilde zien verschijnen en Schroepfer stemde hiermee in. Plotseling gingen alle kaarsen in het vertrek tegelijk uit. Alle aanwezigen waren op slag door schrik overrompeld. Tezelfdertijd vulde een verlammende rook van de wierook die Schroepfer aan het branden was, het vertrek. Geleidelijk aan begon het licht op te trekken op het platform, terwijl de plek waar de toeschouwers zaten in het donker gehuld bleef. Een blauwachtig soort licht bescheen hun gezichten, waardoor zij allen een spookachtige aanblik boden. Geleidelijk aan werd op de achtergrond van het toneel een wolk zichtbaar. Eerst was het slechts een soort dunne mist, maar die begon langzaam dikker te worden. Geleidelijk nam de mist de omtrekken van een mens aan. De kenmerken daarvan werden duidelijker; men kon het gezicht zien en herkennen. Daar stond het levende evenbeeld van de ridder van Saxe.

De hertog, die zijn dode familielid daar voor zich zag staan, slaakte een verschrikte kreet. De verschijning hief zijn arm op. Iedereen was als aan de grond genageld, niemand durfde te spreken. Er werden diepe zuchten geslaakt. Toen begon de geest met holle stem te spreken, zich erover beklagend dat hij in het graf in zijn slaap was gestoord. De hertog leek een flauwte nabij, maar omdat hij een moedig man was, vermande hij zich en kwam overeind. Een moment lang leek het, dat zijn rede de overhand nam over bijgeloof. Hij legde zijn hand op zijn zwaard en riep uit: “Illusie van de hel! Ga terug naar de plaats waar u vandaan ben gekomen!” Op dat moment viel het zwaard uit zijn hand, alsof hij plotseling verlamd was. De verschijning was verdwenen en het vertrek was donker.

Plotseling begonnen de kaarsen weer te branden, net zo snel als zij gedoofd waren. Allen zagen wij de illusionist in zijn lange gewaad van zwart fluweel. Hij zag er nog bleker uit dan gewoonlijk. Het zweet stond op zijn voorhoofd en hij leek op iemand die zojuist aan een groot gevaar was ontsnapt. Toen hij zich hernomen had, keerde hij zich om naar de hertog en vermaande hem. “Uw excellentie”, zei Schroepfer, “mag zichzelf feliciteren met het feit dat wij niet allen gedood zijn. Slechts de krachtigste machinaties van mijn kant hebben de verschijning ervan kunnen weerhouden dat hij ons allen heeft gedood. Dit was het vreselijkste uur uit mijn gehele leven.” De hertog bood zijn excuses aan en vroeg tot slot om vergeving. Hij beloofde gehoorzamer te zijn bij een toekomstige gelegenheid.

Er waren zeer veel mensen van wie Schroepfer geld had geleend. Soms ging het om grote sommen. Zij werden allen ongedurig en wilden betaald worden. Schroepfer was gedwongen het pakketje van de bank tevoorschijn te brengen. Men bevond dat het waardeloos was. Zelfs dat was echter nog niet genoeg om het vertrouwen van zijn gedupeerden teniet te doen. Zij hielden zich voor, dat hij een hoge Rozekruisersadept was, die slechts hun geloof op de proef stelde. Zij zeiden: “Kunnen wij in onze onwetendheid het hart van de Meester doorgronden en zijn bedoelingen kennen? Misschien neemt hij onze aardse mammon weg en geeft hij ons ervoor in de plaats de onvergankelijke Steen der Filosofen.” Op het laatst was de maat echter vol. De crediteuren weigerden nog langer aan het lijntje te worden gehouden met loze beloften. Zij wilden hun geld terug. Daarom benoemden zij uit hun midden een delegatie en zonden die naar Leipzig, waar Schroepfer naar toe was gegaan om aan hun aandringen te ontkomen. Toen zij zijn kamer betraden, heette hij hen op zelfverzekerde wijze vriendelijk welkom.

“Mij was al verteld dat u zou komen”, zei hij, “en ik heb op u gewacht.” Zij antwoordden: “Dan weet u ook, dat wij zijn gekomen met de bedoeling dat onze financiële aangelegenheden nu worden geregeld.” “Wat!,” riep Schroepfer uit, verbazing voorwendend, “twijfelt u aan me?” “Ik niet,” zei degene die aangesproken was, “maar enkele van mijn vrienden wel.” “En u, mijnheer?”, vroeg Schroepfer, terwijl hij zich tot een der anderen wendde en zijn ogen op hem gevestigd hield. Degene die aangesproken was, trilde en begon te stamelen en zich te verontschuldigen. Maar Schroepfer, wiens gelaat een triomfantelijke glimlach aannam, vervolgde: “O, u kleingelovigen! U bent erger dan de ongelovige Thomas, opstandiger dan Petrus, die zijn Meester drie keer verloochende. Ik heb voor u de poorten van de geestenwereld geopend en u zijn bewoners getoond en toch twijfelt u aan mijn macht. Ik wilde u het binnenste heiligdom binnenleiden en u allen rijker maken dan alle koningen dezer aarde. Doch u hebt de test die u is opgelegd niet doorstaan. Schande over u! Zonder geloof en vertrouwen kan geen enkel wonder worden verricht. Twijfel is de grootste zonder dezer wereld.” “‘Genade, grote Meester!”, riep een van hen uit, “Straf niet de onschuldigen met de schuldigen. Ik heb niet getwijfeld.” “Dat weet ik”, antwoordde Schroepfer, “en omwille van slechts één rechtvaardig man zal ik allen hun zonden vergeven. De mammon naar wie uw zondige harten hunkeren, zult u ontvangen. Wat ik beloofd heb, zal geschieden. Doch het zou voor u beter zijn geweest wanneer u de verborgen wijsheid had gekozen, in plaats van de bezittingen die vergankelijk zijn.”

Toen begonnen zij hem om vergeving te smeken. Tenslotte werd hij minder streng en vergaf hij hun hun twijfels. Hij beloofde niet alleen, dat hij hun alle geheimen van de ware Rozekruisers zou onthullen, maar stelde ook een bepaalde dag vast voor het terugbetalen van zijn schuld. De onthullingen over de geheimen kwamen nooit, maar de dag die was vastgesteld voor het betalen van de schulden brak aan. Op de avond welke die gebeurtenisvolle dag voorafging, nodigde Schroepfer al zijn schuldeisers uit bij hem thuis. Het souper dat werd geserveerd, was uitstekend; de wijn was van eerste kwaliteit. Schroepfer zat op zijn praatstoel, was veel spraakzamer dan gewoonlijk en amuseerde zijn gasten met bepaalde slimme, vingervlugge trucs, terwijl hij dat natuurlijk allemaal aan de geesten toeschreef. Het was na de klok van twaalven en de gasten maakten zich gereed om naar hun woningen te vertrekken, maar de gastheer maakte bezwaar.

“Ik laat u niet gaan”, zei hij, “U mag allemaal blijven slapen en in de ochtend, nog voor zonsopgang, zal ik u iets geheel nieuws laten zien. Tot nu toe heb ik u dode mensen laten zien die ik in het leven heb teruggeroepen, maar deze ochtend zal ik u een levende man laten zien waarvan u gaat geloven dat hij dood is.” Daarna nam hij zijn glas op dat met wijn was gevuld en liet het klinken door het in contact te brengen met de glazen die de anderen vasthielden, de een na de ander. Toen hij de laatste naderde, brak zijn glas in stukken. “Wat betekent dit?”, vroeg een van hen. “Het lot der mensheid”, antwoordde Schroepfer. “De wijn des levens is ontsnapt, het vat is in stukken gebroken. Ik ben zo vermoeid dat ik eraan kan sterven.”

Hij viel in slaap en de gasten volgden zijn voorbeeld. Zo goed en zo kwaad als dat ging, sliepen zij in leunstoelen en op canapés. Vroeg in de ochtend begon Schroepfer hen te wekken. Hij vertelde hun dat het tijd was om te gaan. Allen gingen samen de stad uit naar een vrijwel verlaten plek die het ‘Rozenthal’ werd genoemd. Schroepfer was zwijgzaam en leek zeer ernstig te zijn. Toen men op de plaats van bestemming was aangekomen, beval hij zijn metgezellen te blijven waar hij hen had neergezet. “Beweeg u niet,” zei hij, “tot ik u roep om mij te helpen met het naar boven halen van de begraven schat. Ik ga nu die groeve in, waar gij spoedig een prachtige verschijning zult zien.” Met een satirische glimlach op zijn bleke gezicht draaide hij zich om en verdween in de bosjes. Spoedig klonk daar vandaan een geluid alsof er een pistool was afgeschoten. Ze dachten dat het wellicht door een jager was afgevuurd en besteedden er verder geen aandacht aan.

Zij wachtten. Kwartier na kwartier verstreek en er gebeurde niets. Zij durfden hun plek niet te verlaten, omdat zij vreesden door hun ongehoorzaamheid de toorn van de magiër op te roepen. De mist van de ochtend was in een motregen overgegaan, wat hun toestand zeer oncomfortabel maakte. Ze werden ongeduldig en overlegden onder elkaar wat te doen. Terwijl zij het onderwerp bediscussieerden, waarbij de een voorstelde om Schroepfer de bosjes in te volgen en anderen tegenwerpingen hadden, met de woorden dat zij door dat te doen zijn aanroepingen konden verstoren, of hem ten minste een welkom excuus zouden geven dat hij de schat niet kon bergen, verscheen er een vreemdeling. Zijn verschijnen was zo plotseling, dat het welhaast een wonder leek.

“Ik weet”, zei de vreemdeling, “op wie u zit te wachten. Schroepfer zal niet komen. Hij is dood.” “U liegt”, riep een uit het gezelschap, die zeer ontstemd was over deze inmenging. In plaats van te antwoorden, gaf de vreemdeling een bepaald geheim teken, dat bewees dat hij een van de superieuren was van een hoge maçonnieke orde. Alle aanwezigen bogen respectvol. “Volg mij”, zei hij, “en u zult zien dat ik de waarheid sprak.” Zij volgden hem het struikgewas in en daar troffen zij de magiër dood aan op een grasveldje. Hij hield een pistool in zijn hand. De kogel had zijn hart doorboord. Zo kwam een man aan zijn einde die, hoewel hij een bedrieger was, niettemin in het bezit van bepaalde occulte kennis kan zijn geweest, maar niet de kracht had om de verleidingen van de zintuigen te weerstaan en zijn gaven misbruikte ter verheerlijking van zijn eigen persoon.

Meer lezen? Hiram in de geschiedenis, deel 3/ Illuminatie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Don`t copy text!

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang gratis een mystiek e-boek

Schrijf je nu in voor onze maandelijkse nieuwsbrief. Dan blijf je niet alleen gemakkelijk op de hoogte van interessante artikelen, nieuwe cursussen en leuke acties, maar ontvang je ook tijdelijk het exclusieve mystieke ebook 'De Tempel der Mensheid'.