Vrijmetselarij

Het Licht in de Vrijmetselarij

De vrijmetselarij kent de symbolen van de drie Grote Lichten en de drie Kleine Lichten. Deze symbolische lichten hebben een directe koppeling met elkaar. Voor een goede begrip waarom het Eerste Grote Licht in de vrijmetselarij het Boek van de Heilige Wet is, is het goed om nader te kijken naar waar (en hoe) het Licht wordt genoemd in de maçonnieke ritualen.

Het Tableau

Vrijmetselaren horen dat zij bouwen aan de Tempel der Volmaking en dat zij de broederschap der mensheid dienen te bevorderen. Vrijmetselaren oefenen zich daartoe in hun loge, waar in het midden het tableau zichtbaar is. Dit tableau toont het bouwplan van de Opperbouwmeester (des Heelals), en beeldt tevens de weg naar het Licht uit.

Er is dus een weg naar het Licht. Het Licht dient gevonden te worden middels het afleggen van een weg er naar toe. Alles wat daarvoor nodig is, is op het maçonnieke tableau aanwezig. De vrijmetselarij draait figuurlijk en letterlijk om het tableau.

Schoonheid

“….Want in de Schoonheid is begrepen de Heelheid, dat is de Heiligheid, het Ware en het Goede. Zoals de Grieken spraken van Kalon Agathon, het schone en het goede, zo is het hoogste wat de Vrijmetselaar is gegeven na te streven: het Licht der Schoonheid, waarvan de Achtbare Meester in het Oosten getuigt dat het altijd was, en is en wezen zal.”

Het Licht in de vrijmetselaar staat symbool voor het Aller-schoonste, het Aller-goedste en het Aller-hoogste. Dit Licht is eeuwig en altijd. Het is dus groter dan de individuele vrijmetselaar. De individuele vrijmetselaar dient er wel naar te streven.

Het Licht

“In den beginne was het Licht. Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet overwonnen.”

Het Johannesevangelie opent met “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God”. In het Grieks wordt hier driemaal ‘λόγος’ (logos) gebruikt.

“In het begin was de Logos, de Logos was bij God en de Logos was God.”

Het lastige begrip ‘Logos’ heeft twee betekenissen. Enerzijds heeft het betrekking op de menselijke kennis of rationaliteit, en anderzijds heeft het betrekking op een inherente orde van het universum. Dit is een goddelijke ordening. De Logos is de sturende geest van God.

In het stoicisme wordt de logos ook direct verbonden met God, als het principe dat aan de oorsprong van het universum ligt. Het is duidelijk dat de Logos zo ook in de vrijmetselarij wordt gebruikt.

Verbondenheid in eenheid met het Al

Het kleine licht Schoonheid is dus het goddelijke Licht. Dit goddelijke Licht biedt de mens een verbondenheid met het Al, met de Opperbouwmeester.

De oproep in de vrijmetselarij om verbondenheid te zoeken tussen mensen is daarom een eerste stap (of fase) om verbondenheid met het Al te krijgen. Verbinding zoeken en cultiveren tussen mensen is een stap op de weg naar het Licht, niet de enige stap.

Drie maçonnieke plichten

De vrijmetselarij benoemt drie plichten waar de vrijmetselaar aan dient te voldoen. De eerste plicht is die jegens de vrijmetselaar zelf. Door in te keren in zichzelf tracht hij (of zij) het “Licht te ontdekken dat schijnt in de Duisternis”.

Deze eerste stap op de reis naar het Licht wordt geassocieerd met de bijbelse figuur van Johannes de Doper. Zoals hij in eenzaamheid in de woestijn zocht naar het Licht, om daarna in de wereld terug te keren om van dit Licht te getuigen, is het in deze fase van de reis de bedoeling dat de vrijmetselaar in zichzelf keert om al doende “in de Ruwe Steen de Zuivere Kubiek te ontdekken”.

Het Hart

Net als andere mystieke tradities benadrukt de vrijmetselarij dat het goddelijke Licht alleen met ons hart kan worden ervaren. Natuurlijk niet ons fysieke hart, maar ons geestelijk hart. De symbolische reis in de vrijmetselarij draait om liefde.

Net als in andere mystieke tradities leert de vrijmetselarij haar leden dat alleen door volledige zelfovergave, door een staat van totale egoloosheid (of liefde), het goddelijke Licht kan worden ervaren. Zo lang het ego er is, maakt het Licht zich niet kenbaar of ervaarbaar.

Vrijmetselaren ervaren in die momenten zonder ego de aanwezigheid van het goddelijke, ofwel van de Opperbouwmeester. Dit is dus niet een abstract, subjectief concept, maar een tastbare werkelijkheid. Nadat ze deze ervaring van egoloosheid hebben ondergaan, kan de vrijmetselaar de tweede plicht van de vrijmetselaar in de praktijk brengen.

Plicht jegens de medemens

De tweede plicht van een vrijmetselaar is de plicht jegens de medemens. Door te geven wat hij of zij bezit, tracht de vrijmetselaar deze plicht na te komen. Deze tweede stap op de reis naar het Licht wordt geassocieerd met de bijbelse figuur van Johannes de Doper.

Net als Johannes de Doper zal de vrijmetselaar zijn of haar taak in de wereld verrichten door zichzelf (het ego) weg te cijferen. En daarbij zijn of haar liefde tot de medemens tot ontplooiing brengen. Deze ego-loze liefde zal ervoor zorgen dat tweedracht, vooroordeel en achterdocht verdwijnen en verbondenheid en harmonie verschijnen.

De ogenblikken van volledige zelfovergave die op deze momenten ontstaan, zorgen ervoor dat de vrijmetselaar zich bewust wordt van de aanwezigheid van de Opperbouwmeester. Deze aanwezigheid wordt gevoeld in het “binnenste heiligdom”, namelijk het hart van de vrijmetselaar.

Eenmaal deze aanwezigheid gevoeld te hebben, zal deze ervaring niet meer verdwijnen. Het is alsof het goddelijke voor eeuwig gegrift is in het hart. Pas wanneer de vrijmetselaar die aanwezigheid heeft ervaren, is hij of zij gereed om de derde plicht in de praktijk te brengen.

De derde plicht

De derde plicht van de vrijmetselaar is de plicht jegens het goddelijke. Het concept van het goddelijke wordt in de vrijmetselarij de Opperbouwmeester genoemd. Door de derde stap te nemen op de reis naar het Licht weet de vrijmetselaar dat het Licht schijnt in de Duisternis.

De vrijmetselaar zal daarom met heel zijn of haar hart proberen het harmonische goddelijke ‘bouwplan’ tot uitdrukking te laten komen in de wereld om hem of haar heen. Door de ervaring opgedaan tijdens de tweede stap is de vrijmetselaar bereid daartoe zo nodig het hoogste offer te brengen waartoe de mens in staat is, omdat hij of zij vrij van ego is.

Wie of wat is de Opperbouwmeester?

Uit de maçonnieke teksten komt naar voren dat:

  • De Opperbouwmeester is de Eenheid, het Al, de Heelheid, dat is de Heiligheid, het Ware en het Goede.
  • De Opperbouwmeester is de bron van Schoonheid die geconceptualiseerd wordt in het Kleine Licht Schoonheid (maar eigenlijk in alle Grote en Kleine Lichten)
  • De Opperbouwmeester overstraalt de mens met zijn Zuiver Licht
  • De Opperbouwmeester geeft ons bewustzijn (logos als kennis/rationaliteit) maar ook logos als een goddelijke vonk.
  • Deze goddelijke vonk wordt aangewakkerd en vergroot in ons hart
  • We ervaren de aanwezigheid van de Opperbouwmeester en zijn Zuivere Licht in ons hart wanneer we geheel ego-loos zijn.

De Opperbouwmeester is dus in de vrijmetselarij het Hoog – of eigenlijk het Allerhoogste – Beginsel, en niet een Hoog Beginsel. Dit wetende is het duidelijk waarom het Eerste Grote Licht in de vrijmetselarij het Boek van de Heilige Wet is.

Emanaties van (goddelijk) Licht

Om de drie kaarsen rondom het tableau te kunnen ontsteken, dient het Licht dat daarvoor nodig is ergens vandaan te komen. De fysieke objecten in de maçonnieke Werkplaats van de kaarsen met hun vlammen, corresponderen met geestelijke objecten, namelijk met Wijsheid, Kracht, en Schoonheid. Het vuur van de kaars staat symbool voor het geestelijk vuur of licht.

Dit geestelijk Licht, in de vorm van de stoffelijke vlam, komt van de Opperbouwmeester. Maar omdat de Opperbouwmeester niet tastbaar in de maçonnieke Werkplaats aanwezig is, dient zijn Licht via een intermediair doorgegeven te worden.

De intermediair die het dichtst bij het Licht van de Opperbouwmeester in de buurt komt, is het licht vanuit een Boek van de Heilige Wet (goddelijke openbaringen).

Dit Licht komt uit het (geestelijke) Oosten, vandaar dat het bij de zetel van de Achtbare Meester wordt ontstoken. Het Licht gaat dan via het Boek van de Heilige Wet, het enige object tussen het Oosten en het het tableau, naar de drie kaarsen rondom het tableau.

In de vrijmetselarij is dus het Boek van de Heilige Wet de bron van waaruit het goddelijke Licht gehaald kan worden. Dit Licht wordt vervolgens gebruikt om de drie kaarsen te ontsteken. Wanneer die ontstoken zijn, wordt in hun goddelijke Licht het tableau zichtbaar welke de vrijmetselaar de weg toont naar de Bron van Licht.

Dit is het moment waarbij iedere vrijmetselaar die ervoor openstaat het Woord (de Logos) ervaart. De Logos die nodig is om verder te gaan op zijn of haar reis naar het Licht.

 

Gerelateerde artikelen

Abonneer
Abonneren op
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

1 Reactie
Inline Feedbacks
Bekijk alle opmerkingen
Arie Aalders
8 dagen geleden

Schitterend verwoord! Het spreekt voorzich dat het ‘Grote Licht’ niet altijd op de kubiek heeft gelegen. De huidige tendens om het maar weg te laten en een ander boek ‘Spinoza’ of zo hiervoor te nemen i. V.m. de huidige cultuur betekent een stap ‘terug’ in ontwikkeling! Br.: groet!