Mystiek

Wagners Parsifal en de Queeste naar de Graal: Eerste akte

De eerste akte van de opera, die zich afspeelt in het gebied van de Graal, begint met trombones die de reveille blazen. Gurnemanz, leraar en bewaker van de heilige wijsheid van de Graal, wekt twee onder een boom slapende schildknapen met de woorden:

‘Horen jullie de oproep? Dank God dat jullie geroepen bent het te horen!’

Dat de reveille klinkt vanuit het gebied van de Graal geeft aan dat het een geestelijke aansporing is. Het hogere zelf dringt door in het bewustzijn van de ontwakende mens en Gurnemanz ervaart dit als een zegen. Hij doet een beroep op zijn leerlingen om dank te betuigen want hij weet dat het slechts weinigen is vergund deze roep van het hogere zelf te horen.

Dat is ook een van de vragen die mij bezighoud, waarom lijken maar zo weinigen de roep van het hogere zelf te horen en waarom is de individuele zoektocht van ieder mens niet duidelijker aanwezig in onze wereld.

Amfortas, Koning van de Graal, is ziek en gewond. Zijn wond is een uiterlijk symbool voor innerlijke ontwikkelingen. In zijn streven naar het hogere, liet hij zich verleiden door Kundry die was gestuurd door de zwarte magiër Klingsor. Deze ontnam hem de speer (het denken) en verwondde hem in zijn zijde, een wond die niet zal genezen.

Deze wond staat centraal in het hele verdere verloop. Het is de breuk tussen het hoger zelf en het persoonlijk zelf, veroorzaakt door het feit dat het denkend beginsel was gericht op het aardse gebied, waar het nu wordt beheerst door Klingsor, ofwel verbonden was met begeerte.

Amfortas ziet door zijn ontmoeting met Kundry in dat er in het graalridderschap een tegenstrijdigheid schuilt. Hij gaat inzien dat de gelofte van kuisheid indruist tegen de menselijke natuur, maar dat hij tegelijkertijd zijn begeerte voelt als falen en daardoor niet echt lief kan hebben.

Wagner merkt op dat de zwarte magiër Klingsor ‘het goddelijke onderscheidingsvermogen van de mens vertroebelt door de zintuiglijke indrukken van de stoffelijke wereld, en hem daardoor in een wereld van misleiding voert.

Gurnemanz en de schildknapen proberen nu de pijn die de Koning van de Graal lijdt, te verzachten. Zij willen de wond wassen, hoewel Gurnemanz in zijn wijsheid weet dat dit niet zal baten. De wond van de Koning, een innerlijke wond, kan niet door wassing of zalving worden gesloten. In gedachten verdiept, zingt hij:

‘Er is slechts één ding dat hem kan helpen, slechts één man’

Dan verschijnt Kundry ten tonele. Zij dringt Gurnemanz een klein kristallen glas op dat balsem bevat waarmee Amfortas zou kunnen worden genezen. Kundry vertegenwoordigt de begeerte, en is zowel boodschapster als verleidster. Haar personage is geënt op de legende van Herodias die lachte toen haar het afgehouwen hoofd van Johannes de Doper werd getoond. En als straf gedoemd was om eeuwig te dolen.

Aan de ene kant bindt de begeerte ons aan materialistische zaken, terwijl ze aan de andere kant de eerste impulsen geeft om het verborgene te begrijpen. Zo dient Kundry zowel de Graal en ook, als verleidster, Klingsor, die probeert door de macht van het zinnelijke de mensen af te houden van het zoeken naar het goddelijke.

In zijn smart richt Amfortas zich tot de Graal en vraagt om een teken van hulp. In een visioen beschrijft hij hoe iemand zal komen om hem te helpen:

‘Verlicht door mededogen, de onschuldige dwaas; wacht op hem, de uitverkorene’.

Alleen als de speer wordt teruggebracht, kan hij verlossing vinden en daarmee de daadkracht van de tot dadeloosheid vervallen graalsgemeenschap herstellen.

Het is het inzicht; ‘Door medelijden wetend’ wat bij Parsifal leidt tot de vereiste daadkracht.

Vóór het goddelijke kan worden bereikt, moet echter de evolutie als mens worden ervaren. In het begin is de mensheid volkomen zonder zelfbewustzijn en leeft in een toestand van paradijselijke onschuld, onberoerd door aardse dingen en zonder een onafhankelijk verstand, een toestand gesymboliseerd door de zwaan.

Ze moet deze toestand verlaten, weg uit het paradijs, afdalen naar het stoffelijk gebied en alle conflicten ervaren die de evolutie met zich mee brengt.

Door het lijden waarmee dat gepaard gaat en de ontwikkeling van het denkend beginsel, leren mensen uit eigen ervaring mededogen te voelen met andere wezens.

Deze ‘neerdaling’ of het onafhankelijk worden, wordt door Wagner verbeeld in het doden van de zwaan door Parsifal. Gurnemanz maakt Parsifal, ernstige verwijten omdat hij de zwaan met een pijl doodt. Parsifal is eerst vervuld van kinderlijke trots maar raakt geleidelijk aan steeds meer in verwarring bij de aanblik van de dode vogel en voelt voor het eerst medelijden.

Gurnemanz vraagt naar de naam en afkomst van Parsifal, maar deze kan zich dat niet herinneren. De enige naam die hij zich herinnert is die van zijn moeder: Herzeleide (Hartepijn).
K

undry kan meer inlichtingen verschaffen over zijn afkomst: zijn vader werd in de strijd gedood en zijn moeder ‘voedde hem diep in het woud op tot dwaas, onbekend met wapens’. Parsifal herinnert zich niettemin dat hij eens de Graalridders langs de rand van het bos zag rijden.

Kundry vertelt hem over de dood van zijn moeder. Parsifal wordt woedend en stort zich op haar, maar Gurnemanz houdt hem tegen. Al is Parsifal begiftigd met een besef van goed en kwaad, het denken is nog niet volledig ontwikkeld. Vandaar dat het, samen met begeerte, vervalt tot boosheid en woede. Gurnemanz, de ingewijde, houdt hem tegen.

Gurnemanz heeft al ingezien dat Parsifal iemand is die de goddelijke harmonie kan herstellen. Hij biedt aan hem naar het feest van de Graal te brengen. Beiden trekken hun innerlijke, geestelijke gebieden binnen, vertegenwoordigd door de tempel van de Graal. Dit gebied ligt buiten de differentiatie van ruimte en tijd. Vandaar dat Parsifal opmerkt:

‘Ik loop nauwelijks, maar schijn toch ver te zijn gekomen’.

Gurnemanz antwoordt: ‘Je ziet, mijn zoon, de tijd wordt hier ruimte’ Dat komt omdat de stoffelijke mens innerlijke visie ervaart als ruimte. Gurnemanz waarschuwt Parsifal goed te letten op alles wat hij tegenkomt en het later mee terug te nemen naar het gebied van zijn persoonlijk bewustzijn.

Vóór beiden opent zich het beeld van een zaal met zuilen, waar de Graalridders Amfortas binnenbrengen. De omhulde Graal wordt vóór hen uitgedragen. Op de achtergrond kan de stem van Titurel worden gehoord, de vroegere bewaker van de Graal, die de kelk ontving uit handen van een engel.

Titurel vraagt aan Amfortas de Graal te bekijken. Maar Amfortas is daartoe niet in staat – hij heeft het denkend beginsel aan Klingsor, het lagere denken, verloren. Titurel vraagt nu om het onthullen van de Graal, het openbaren van occulte wijsheid.

Wanneer dit, op zijn aandrang, gebeurt, wordt Amfortas door pijn gekweld. Het Koor zingt:

‘Verlicht door mededogen, de onschuldige dwaas: wacht op hem, de uitverkorene’.

Gurnemanz die Parsifal tot deze innerlijke visie leidde, staat tijdens de hele scène naast Parsifal. Tenslotte vraagt hij Parsifal: ‘Weet je wat je hebt gezien?’ Maar Parsifal kan niet antwoorden omdat hij is overweldigd door het lijden dat hij heeft gezien. Gurnemanz zendt hem boos weg.

Parsifal is nog niet in staat om te begrijpen wat er van hem wordt verwacht, omdat daarvoor meer nodig is dan alleen het zien van occulte dingen.

Hij moet eerst op stoffelijk gebied occulte kennis opdoen. Alleen dat zal hem in staat stellen innerlijk te verwerken wat hij heeft gezien en het tot een deel van zijn bewustzijn te maken.

Naar de tweede akte

 

Gerelateerde artikelen

Abonneer
Abonneren op
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle opmerkingen