Artikelen

Ibn Arabi en het soefisme

Kort na de dood van de profeet duikt de zonderlinge en sterke persoonlijkheid van Abu Dharr Ghifari op, een groot mysticus die de bron zou zijn geweest van wat later het soefisme heette.

De term soefi verscheen waarschijnlijk voor het eerst omstreeks 776. In de negende eeuw werd de term soefija gebruikt voor de groepen asceten en mystici in Kufa en Bagdad die bekend stonden om hun soberheid. De meest waarschijnlijke etymologische verklaring van het woord soefi komt van de stamvorm soef of ‘wol’, omdat de soefi graag een wollen jas draagt als teken van armoede en onthechting.

De term wordt ook in verband gebracht met twee andere Arabische woorden, safa of safwa: ‘zuiverheid’ of soefija : ‘rood zwavel’, wat staat voor de alchemistische reiniging.


Jean Chevalier schrijft over soefisme:

“De gedachtegang van de soefies wordt beter begrepen door naar hun manier van leven te kijken dan naar de teksten van hun doctrine, ondanks de rijkdom, subtiele nuance en poëzie daarvan.”

Het soefisme is een innerlijke ervaring, een zoektocht in het diepst van het zijn met een verlangen naar het hogere. Het soefisme zou de mystieke weg van de islam zijn.

Het vertegenwoordigt de strijd tegen zichzelf, tegen het ego, om zich te verheffen tot het pad van de spiritualiteit: de ‘jihad van het hart’. Dit vereist de reiniging van de geest door ascese, contemplatie en de aanroeping van God.

Alvorens verder te gaan, moeten we het eerst eens worden over de woorden mystiek en mysticisme omdat deze termen door verkeerd gebruik aan waarde hebben ingeboet.

Men kent er een negatieve lading aan toe door van een mysticus een mysterieus, bizar wezen, ja zelfs een randfiguur te maken. Etymologisch betekent het woord ‘verband houdend met mysteriën’.

In het oude Egypte prepareerden de mysteriescholen hun adepten om wijsheid te ontvangen, de natuurwetten te begrijpen, spirituele ervaring te beleven, hun innerlijk domein te ontdekken en zich in harmonie met de universele energie te brengen en zodoende in contact met God te komen. Vanuit dat gezichtspunt kan men het soefisme dus als een mystiek pad zien.

Het werk van Ibn Arabi

Ibn Arabi (Abu Bakr Mohammed Ibn al Arabi) werd op 28 juli 1165 geboren in Murcia (Andalusië). Zijn vader, zelf soefi, was een respectabel man met een grote reputatie. Al vanaf zijn prille jeugd werd Ibn Arabi opgevoed door twee heel wijze vrouwen: Yasmin de Marchena en Fatima de Cordoba.

Zijn negentiende jaar werd gemarkeerd door de voor hem belangrijkste ontmoeting met een van de vrienden van zijn vader, Ibn Rushd, beter bekend als d’Averroes, die in hem een weinig voorkomende spirituele kracht ontdekte. In die tijd omvatte de bibliotheek van de stad Cordoba 400.000 werken.

Ibn Arabi kwam in een tijd en een regio van intellectuele en spirituele wedijver die uniek was in de geschiedenis. Daarom wordt deze tijd gezien als de gouden eeuw van het islamitisch, joods en christelijk mysticisme.

Ibn Arabi is de productiefste schrijver van het soefisme. Zijn oeuvre omvat een zeer groot aantal werken: tussen de 170 en 400 volgens de historici. Slechts 16 daarvan zijn tot ons gekomen, waaronder: Voyage vers le maître de la puissance, La Sagesse des Prophètes, Les Illuminations mecquoises, La Queste du soufre rouge, Les Soufis d’Andalousie.

Hij is degene die het concept van ‘het evenwicht van de spirituele energie’ heeft ontwikkeld, dat een blijvende invloed op het soefisme heeft gehad.

Uitgaand van het feit dat ieder wezen twee neigingen in zich bergt, een tot materialisme en de dood, de andere tot spiritualiteit en het leven, reinigt de mysticus zich van het een en verwezenlijkt hij het ander.

Deze dualiteit was al aanwezig in het soefisme. Zij gaat ervan uit dat een tekst altijd op tweeërlei manieren kan worden uitgelegd:

  • Bij de eerste manier houdt men zich aan de letter, aan de werkelijkheid ervan, aan de betekenis op het eerste gezicht, de exoterische: dat is zahir.
  • Bij de tweede manier zal men de verborgen betekenis zoeken en zal men zich erin verdiepen om de onderliggende geest te ontdekken en er de esoterische betekenis uit te halen: dat is batim.

Deze wetenschap van evenwicht is de zoektocht naar de ontmoeting met de ‘verborgen geest’. Anders gezegd, een gebruikelijke formulering van Ibn Arabi volgend, is het het zoeken naar een omzetting van het analoge wezen naar dat van de alchemist, die lood in goud omzet.

Hier raken we aan het grondbeginsel van het soefisme zelf dat vindt dat de mens het ‘goddelijk geschenk’ in zichzelf moet zoeken om zich te verheffen tot een niveau dicht bij God. Wanneer hij daarbij goed wordt begeleid zal hij gemakkelijk de kerkelijke dogma’s kunnen overstijgen.

De meester

Dit besef van een gids is heel belangrijk. De adept die besluit de innerlijke weg (tariqa) van de soefi-mysticus (tasawwoef) te gaan, moet zich onderwerpen aan de leiding van een gids.

Deze inwijdingskandidaat kijkt oplettend naar de handelingen van de meester en luistert aandachtig naar zijn woorden. In feite is de meester de pool-as (quith) waaromheen de spirituele zoektocht zich gaat oriënteren. De as die de mystieke spiraal omhoog tijdens zijn ontwikkeling zal (be)geleiden.

Ibn Arabi zei:

“Wie geen meester heeft, zal satan tot meester krijgen.”

De echte meester is degene die zich intensief aan een missie heeft gewijd en bevoegd is initiaties te geven, hetgeen niets anders is dan een schakel in de ‘gouden keten’ die hem verbindt met Mohammed of een van zijn gezellen. Deze band verzekert de continuïteit van de baraka en onderhoudt permanent de kracht van de energie die de profeet uitstraalt.

Deze band gaat zelfs nog verder en hangt samen met de keten van profeten waarvan de voornaamste schakels Abraham, Mozes en Jezus zijn. De meester wordt gelijkgesteld met degene die Allah in de soera van de grot aanduidt als “een van onze dienaren die wij begiftigd hebben met onze barmhartigheid en aan wie wij een kennis die uit ons zelf emaneerde hebben onderwezen”.

Allah antwoordt ook degenen die hem gretig ondervragen: “Als u mij wilt volgen, vraag me dan nooit naar iets waarover ik zelf niet tot u heb gesproken.”

Elke soefi-groepering wordt geleid door een meester die de ontwikkeling van de adept door drie fasen volgt: zoeker, debutant en ten slotte gevorderde.

Om deze verschillende niveaus te doorlopen moet de adept natuurlijk om te beginnen in God en zijn woord geloven en de deugden toepassen, beginnend met het reinigingsproces: de reiniging van de ziel door boetedoening en ascese, reiniging van het hart door afzondering, gebed en meditatie, en reiniging van de geest door liefde voor God

Hij zal de dhikr in acht nemen, het collectieve gebed van de soefi’s, waarbij de aandacht geconcentreerd is op de naam God. Hij zal ook de sama beoefenen, die zang, muziek en dans verenigt en daarmee de weg van de sterren symboliseert: het spirituele concert van de hemel. Verder gaat hij op bedevaart, die ook binnen hemzelf kan geschieden, en leeft hij in eenzaamheid door in retraite te gaan naar een rustig oord dat geschikt is voor meditatie.

Zijn leven

Ibn Arabi schetst dit in zijn oeuvre waarin hij citaten afwisselt met visioenen en verhalen over extase. Wij moeten niet vergeten dat hij is geboren in Murcia, waarvandaan hij rond zijn achtste of negende met zijn familie vertrok naar Sevilla; daar woonde hij een jaar of dertig terwijl hij heel Andalusië doorreisde. Hij ontmoette er kabbalisten, alchemisten en christelijke gnostici.

Omdat hij onderricht wilde van de grootste meesters reisde hij naar Noord-Afrika, Syrië en Iran. Tijdens zo´n verblijf in Fez werd hij door joodse vrienden ingewijd in de kabbala.

Waarschijnlijk is hij zich in Iran gaan interesseren voor het Zoroasterisme en hindoeïsme. In die tijd waren er vertalingen van de aforismen van Patanjali, de grondlegger van de yogaleer, in het Arabisch. De soefi-broeders in Azië waren op de hoogte van de asanas, de ademhalingstechnieken en de mantras.

Op zijn zesendertigste volbrengt Ibn Arabi zijn eerste pelgrimstocht naar Mekka. Tosun Bayrak al-Jerradhi haalt in zijn Aperçu de la vie d’Ibn Arabi de volgende anekdotes aan:

Aan het begin van zijn opleiding was Ibn Arabi het oneens met Abul-Hassan, een van zijn meesters. Toen hij op een avond thuis kwam, ontmoette hij een heel mooi wezen dat hem zei: “Wat je meester zei is correct, accepteer het.”

Een andere keer tijdens een tussenstop in een haven in Tunesië klom hij toen hij niet kon slapen de brug op om van de volle maan te genieten. Plotseling zag hij een mens stralend van schoonheid, die over het water liep. Vervolgens stapte deze persoon aan boord en zette zijn rechter voet op de linker van Ibn Arabi, groette hem, sprak in het geheim met hem en ging weer zoals hij was gekomen.

Een derde ontmoeting met Khidr had plaats in een kleine Spaanse moskee terwijl Ibn Arabi aan het bidden was. Zijn metgezel ontkende het bestaan van wonderen ten overstaan van de andere gelovigen die in de moskee aanwezig waren. Op dat moment komt dezelfde persoon als daarvoor de moskee binnen, neemt een gebedskleedje, knielt daarop en leviteert minstens vier meter boven de grond.

Tijdens een reis door Turkije ontmoet hij in Konya Sadaiddin Qunyawi, een jonge soefi, die al vlug een van zijn naaste discipelen wordt. De jonge man had als kind zijn vader verloren. Op zijn achtenvijftigste, in 1223, gaat hij terug naar Damascus. Zijn psychische krachten hebben hun hoogtepunt bereikt waardoor hij ook in contact kan zijn met de allergrootste meesters. Hij blijft in Damascus tot zijn dood in 1240.

De broederschappen

Verrijkt met het oeuvre van deze grote meester leidt en brengt het soefisme zelfs heden nog moslims tot spiritualiteit. Twee historici die gespecialiseerd zijn in de soefi-broederschappen, Spencer Trimmgham en Paul Nwyia, onderscheiden drie grote periodes in de ontwikkeling van deze broederschappen.

De eerste periode is de gouden eeuw van het mysticisme waarin de meesters en hun discipelen zonder precieze regels leven en nergens vast wonen maar steeds rondreizen. De leringen zijn doortrokken van emotie en individuele gevoelens. Spontaniteit is acceptabel en wordt zelfs aangeraden. Meditatie wordt geregeld afgewisseld met geëxalteerd enthousiasme.

De tweede periode strekt zich uit van de 12e tot de 15e eeuw, van Syrië en Iran tot aan de Magreb en Andalusië. De broederschappen gaan zich organiseren en structureren. Levensregels worden opgesteld. De doctrine van de toe te passen regels van toewijding wordt gepreciseerd. Er ontstaat een evenwicht tussen het mysticisme en de traditie van de Koran. Aan de adepten worden groepstrainingen voorgesteld om hen tot extase te brengen.

De derde periode begint met de stichting van het Ottomaanse rijk na 1453 (de inneming van Constantinopel). Er komen steeds meer soefi-broederschappen. De band met de ‘gouden keten’ is tot stand gebracht. Iedere broederschap is goed gestructureerd met striktere levensregels. Men houdt de heiligencultus in stand.

Tegenwoordig bestaan er in alle moslimlanden nog steeds broederschappen. Een studie uit 1961-1962 telde in Algerije 500.000 aanhangers (op toen nauwelijks tien miljoen inwoners) verdeeld over drie belangrijke broederschappen: de Khalwattiya, de Shadhiliyya en de Qadiriyya, waarvan een aanhanger beroemd werd door zijn verzet tegen de Franse bezetting, Abd el Kader. Hij werd begraven in Damascus naast het graf van Ibn Arabi.

Laten we tot slot opmerken dat in het soefisme vrouwen niet worden buitengesloten. De bekendste onder hen is ongetwijfeld Rabi’a, soms de Maria Magdelena van de islam genoemd. Ze werd in 721 in slavernij geboren.

Na haar vrijlating werd ze eerst fluitspeelster en daarna courtisane. In de stad Basra vermaakte zij het volk met haar muziek, zang en dans. Later bekeerde zij zich en begon in gebed en meditatie te leven. Zij componeerde haar liefdesliederen, die dit keer aan God gewijd waren. Ze stierf in 801 en wordt sindsdien als een heilige vereerd.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Advertentie