Artikelen

Het verhaal van Rabia

In het jaar 717 werd midden in de nacht een meisje geboren. Haar naam was Rabia. Zij was de vierde dochter daarom werd zij domweg Rabia (vierde) genoemd. Er was zelfs geen lamp in huis en geen doek om de baby in te wikkelen.

Haar beginjaren

Het gezin leefde in buitengewoon armoedige omstandigheden. Er was absoluut niets in huis. Haar vader bezat zelfs geen druppeltje olie om de navel van de baby te oliën nadat de navelstreng was verwijderd. Zijn vrouw werd emotioneel over zoveel soberheid en zei tegen haar man: “Ga naar een van de buren en vraag wat olie en een lampje zodat ik tenminste mijn baby kan zien!”

Rabia’s vader had echter met zichzelf afgesproken dat hij nooit iets zou vragen aan een andere sterveling. Hij liep dus wel naar het huis van de buurman, omdat zijn vrouw dat van hem vroeg en hij zette zijn hand tegen diens deur, maar vervolgens liep hij terug naar huis.

“Zij willen hun deur niet openen”, zei hij tegen zijn vrouw. De arme vrouw begon te jammeren; bittere tranen liepen over haar gezicht.

Ondanks al haar tranen zag zij een vreemd schijnsel in de kamer. Zij begreep niet waar het vandaan kwam. Zij hadden geen licht en toch was er licht. Ze begon aan haar zintuigen te twijfelen en begroef haar gezicht in haar armen. Ondervoed en oververmoeid vanwege de bevalling, zeilde ze weg in haar dromen. Haar enige veilige haven in een onzekere wereld. Een geboortefeest was in geen velden of wegen te bekennen.

Het verontrustende van een toestand waarin je werkelijk niets meer hebt en toch een kind op de wereld zet drong ook tot de vader van Rabia door en hij legde zijn hoofd op zijn knieën en viel zo in slaap. Hij droomde dat hij de profeet Mohammed zag.

“Wees niet zo verdrietig en bezorgd”, zei de profeet tegen hem in zijn droom. “Het meisje dat net ter wereld is gekomen is een koningin onder de vrouwen. Zij zal van voorspraak zijn voor zeventigduizend mensen van mijn gemeenschap. Ga morgenochtend naar Isa Zadan, de gouverneur van Basra. Schrijf wat ik nu ga zeggen op een stuk papier en geef dat aan hem: “Ieder nacht zend je mij honderd zegenwensen en in de nacht op vrijdag zelfs vierhonderd. De afgelopen nacht was vrijdagnacht en je hebt mij vergeten. Om het goed te maken schenk je deze man de vierhonderd dinar die hem toekomen”.

Toen Rabia’s vader wakker werd barstte hij in tranen uit maar hij schreef alles op zoals hem in zijn droom was gezegd. Daarna gaf hij zijn boodschap aan een kamerheer van de gouverneur.

Toen de gouverneur de boodschap had gelezen gaf hij onmiddellijk opdracht tweeduizend dinar aan de armen uit te delen. Maar schenk nu eerst 400 dinar aan de afzender van deze brief en zeg tegen hem dat ik wil dat hij mij komt opzoeken. “Maar maak hem vooral duidelijk dat ik niet denk dat het gepast is voor hem om mij te bezoeken. Zeg hem dat het eerder gepast zou zijn voor mij om met mijn baard zijn drempel schoon te vegen. Maar bezweer hem dat hij het mij moet laten weten als hij weer iets nodig heeft!”

Rabia’s vader nam het goud aan en kocht alles wat hij voor zijn gezin nodig had.

Haar meisjesjaren

Rabia groeide op tot een mooi jong meisje maar zij had zelf geen enkele interesse in uiterlijkheden. Zij en haar zusters moesten al jong hun ouders verliezen. De vier dochters stonden er alleen voor en om te overleven moesten zij allerlei soorten werk aanvaarden en soms hele afstanden afleggen om weer thuis te komen. Zij vonden huwelijkspartners en raakten elkaar kwijt. Rabia, de jongste, was alleen achter gebleven. Zij stond bekend als schuw en trouw in haar gebeden.

Kort daarop werd Basra door hongersnood getroffen. Na verloop van tijd gingen de mensen, door wanhoop gedreven, dingen doen die zij anders nooit hadden gedaan.

Onderweg naar een boerderij om op het land te helpen werd Rabia door een verdorven man gezien die een lucratief bestaan had opgebouwd met de handel in mensen.

Hij nam haar mee in zijn kar en verkocht haar voor een zacht prijsje om zelf te overleven. Rabia moest hard werken voor haar eigenaar en zij probeerde haar vrijheid te herwinnen door weg te lopen.

Terwijl zij over de weg voort rende werd zij weer door een man benaderd. Zij had geleerd van de vorige keer en ging nog sneller lopen. Zij struikelde en dreigde languit op de rotsachtige grond te vallen.

Zij probeerde haar val te breken met haar armen maar tijdens haar val brak zij haar pols. Zij huilde van schrik en pijn en riep uit: “O Heer, O God!”. Zij boog haar gezicht naar de grond en bad:

“Ik ben een vreemdeling, een weeskind zonder vader of moeder; een hulpeloze gevangene.
En mijn hand is gebroken. Toch klaag ik daar niet over. Alles wat ik werkelijk nodig heb is
Uw welbehagen. Ik wil weten of u tevreden over mij bent of niet”.

Op dat moment was het alsof zij een stem hoorde:

“Wees niet wanhopig of verdrietig. Later zal jij een positie bereiken waar zelfs de engelen jaloers op zullen zijn”.

Toen zij dat hoorde ging zij terug naar het huis van haar meester. Overdag vastte zij voortdurend en diende zowel God als haar meester. ’s Nachts was zij voortdurend in gebed totdat de dageraad aanbrak.

Haar vrijlating

Op een nacht werd haar meester midden in de nacht wakker en zag haar buigen en knielen en haar gebeden murmelen.

“O God”, bad zij, “U weet dat mijn hartwens in overeenstemming is met uw wil en dat het mij meer waard is dan het licht van mijn ogen om aan Uw hof te dienen. Als het aan mij lag zou ik geen moment wachten met U te dienen. Maar U heeft mij zelf in handen van een sterveling gegeven”.

Haar meester keek bevreemd hoe zij haar klaaglied zong terwijl er een licht om haar heen scheen waarvan hij de oorsprong niet kende. Hij was zo ontzet door wat hij in zijn eigen huis had gezien, dat hij tot de dageraad de slaap niet kon vatten.

De volgende morgen riep hij haar bij zich en sprak haar vriendelijk toe. Hij besloot haar vrij te laten. Rabia vroeg toen ook meteen toestemming om te mogen vertrekken. Het gevoel van vrijheid dat zij daardoor kreeg was zo sterk dat het haar bijna teveel werd. Zij liep de stad uit en zo de woestijn in.

Tot de avond liep zij maar door zonder zich bewust te zijn van haar vermoeidheid. Plotseling merkte dat ze niet meer kon en zij zag de vage contouren van een gebouw in de avondlucht. Het was een klooster. De mensen namen haar vriendelijk op en zij bleef enig tijd in het klooster.

Toen ontwaakte in haar het verlangen de bedevaart naar Mekka te verrichten. Omdat de nonnen van het klooster haar vanwege haar karakter en devotie liever in het klooster hadden gehouden wilden ze haar iets meegeven voor de reis. Zij schonken haar een ezeltje.

Haar reis naar Mekka

Rabia bond een deken en wat leeftocht op haar ezeltje en begon aan haar reis. Het was zeer ongebruikelijk voor een vrouw om alleen in de woestijn te reizen en een karavaan bood haar aan met hen mee te reizen. Zij knikte slechts en bleef in de staart van de karavaan rijden.

Onderweg stierf het ezeltje. De mensen van de karavaan boden haar hun hulp aan. Zij wilden de last van haar bagage overnemen. Maar op dat punt had zij het karakter van haar vader; geen hulp van stervelingen. “Ik ben niet zo ver de woestijn in gereisd omdat ik op jullie vertrouwde” sprak zij “maar in vertrouwen op Hem”.

Terwijl zij naar de verder reizende karavaan staarde, die als een fata morgana aan de horizon verdween, verzonk Rabia in gebed. Zij sprak in haar persoonlijke stijl tot God:

“O God! Is dit de manier waarop koningen een vrouw behandelen die een vreemdeling is en geen kracht heeft? U heeft mij uitgenodigd naar Uw huis te komen en onderweg laat U mijn ezel sterven en laat U mij alleen achter in de woestijn!”

Het was een vreemd gebed omdat zij zelf de hulp van de karavaan had geweigerd en ieder andere zou de hulp van de karavaan ook als de hulp van God hebben gezien. Maar zij gaf daarmee aan dat haar verhouding met God direct en zonder mededingers was.

De laatste woorden van haar gebed hadden nog maar net haar mond verlaten of er trok een siddering door haar ezeltje en het stond op. Alsof ze niet anders had verwacht pakte Rabia haar bundeltje bagage en legde het op het ezeltje. Voortdurend met haar gedachten bij de grote Geliefde zette zij haar tocht voort.

Vertrouwend op God en met haar kompas op de sterrenhemel gericht trok zij voort tot zij geen leeftocht meer had voor zichzelf en haar ezeltje. Het was de vraag wie er het eerst zou instorten zij of haar ezeltje. Toen zij dreigde van haar ezeltje te vallen, stopte zij en sprak tot God:

“O God! Mijn hart is vermoeid.
Waar ga ik heen? Ik, een brok klei en Uw huis een steen!
Hier heb ik U nodig en wel meteen!”

Haar vraag kwam vanuit de diepten van wanhoop en verlangen en misschien kwam er daarom ook een antwoord dat zich rechtstreeks aan haar hart openbaarde:

“Rabia, jij vaart in het levensbloed van achttienduizend werelden. Heb je niet gehoord dat Mozes heeft gebeden om Mij te mogen zien? Maar toen ik enkele korrels van het licht van Mijn openbaring op een berg deed neerdalen werd die verpulverd. Wees tevreden met Mijn naam!”

Ook wordt verteld dat Rabia onderweg naar Mekka was en toen zij nog net zoveel van haar reis voor de boeg had als dat zij had afgelegd kwam de Ka’ba haar tegemoet. Rabia zei toen:

“Is dit de Heer van het huis die ik nodig heb? Wat moet ik met het huis? Ik wil Degene ontmoeten die zei: “Wie van u Mij ook maar een vleugelbreedte nadert, nader Ik een hele stap?” De Ka’ba die ik zie heeft geen macht over mij; welke vreugde brengt de schoonheid van de Ka’ba mij?”

Haar contact met Ibrahim

Ibrahim, zoon van Adham, heeft volgens de verhalen veertien jaar over dezelfde afstand gedaan. Ook hij moest dwars door woestijnen reizen om in Mekka te komen. Wat hem vertraagde waren de vele plaatsen die hem werden getoond, waar gedurende eeuwen profeten en heiligen hun grote momenten hadden beleefd.

Op elk van die plaatsen stopte hij om te bidden. Toen hij uiteindelijk bij de Ka’ba arriveerde zag hij het centrale heiligdom van de islam niet staan.

“Hoe kan het bestaan? Ben ik plotseling blind geworden? Vroeg de zoon van Adham zich af. Ook hij was iemand die rechtstreeks met God communiceerde en hij hoorde een stem: “Er is niets mis met je ogen, maar de Ka’ba is even van zijn plaats om een vrouw te ontmoeten die hem benadert”.

Ibrahim werd overvallen door een spirituele afgunst die hem wezensvreemd was en hij hoorde zichzelf zeggen: “O werkelijk!? Wie mag dat dan wel zijn?”

Op dat moment zag hij Rabia bij de Ka’ba aankomen. En het gebouw stond weer op zijn plaats. Nadat zij haar ommegangen rond de Ka’ba en het wanhopig zoeken naar water – naar het voorbeeld van een andere grote vrouw, Hagar – had voltooid, sprak hij haar aan:

“O Rabia, wat is dit voor storing en probleem en last waar je de wereld in stort?”

Zij zei:

“Ik heb geen enkele storing in de wereld gebracht, integendeel, jij bent het die zijn aankomst bij de Ka’ba veertien jaar heeft uitgesteld. Dat is pas een storende gang van zaken!”

Hij zei:

“Ja, ik heb veertien jaar in de woestijn doorgebracht, want ik had reden om daar momenten van gebed in te lassen”.

Rabia antwoordde hem op de voor haar unieke manier:

“Jij hebt de woestijn in ritueel gebed doorgereisd, maar ik in persoonlijk gebed!”

Haar belang als spirituele leraar

Het levensverhaal van Rabia bint Ismail al-Adawiya is in elk overzicht van moslimheiligenverhalen opgenomen. De bekendste zijn van Fariduddîn al-Attâr, Abdur-Rahmân Djami en de hedendaagse levensbeschrijving van Margaret Smith.

Meestal begint men uit te leggen hoe het mogelijk was dat een vrouw in deze spirituele ‘hall of fame’ van mannelijke heiligen kon worden opgenomen. Dit werd verklaard uit het feit dat zij in geestelijk opzicht op ‘mannelijk niveau’ verkeerde.

In feite was zij alle mannen van haar tijd zowel spiritueel als intellectueel de baas. Haar antwoorden op allerlei vragen zijn gevleugelde woorden geworden die veel vrouwen in de moslimwereld hebben geïnspireerd. Nog steeds worden veel meisjes naar haar vernoemd, ook als zij niet het vierde kind zijn.

Spirituele les 1

Rabia vormde een uitdaging voor veel geleerden die zich afvroegen waar zij haar natuurlijke wijze van spreken en beantwoorden van vragen vandaan had.

Toen een groep mannen op een onbewaakt ogenblik haar op een onbezonnen uitspraak probeerden te betrappen, ontspon zich het volgende gesprek.

“Alle deugden zijn over de mannen van de schepping verdeeld”, begon een van hen. “Het profeetschap is een mannenaangelegenheid, we hebben talent voor kunst, politiek en militair leiderschap. Noem maar op. De man vormt toch de crème de la crème van de mensheid? Geen vrouw is ooit profeet geweest!”

“Dat is allemaal waar”, sprak Rabia:

“Vandaar ook dat zij het meeste bloed hebben vergoten en dat de grootste egoïsten van de mensheid mannen zijn. Nooit heeft een vrouw erover gedacht te zeggen, “Ik ben uw allerhoogste Heer, zoals een Farao deed. Al deze zaken zijn inderdaad gereserveerd voor mannen!”

Spirituele les 2

Een bekende geleerde van die dagen zat bij het bed van Rabia en begon af te geven op wereldse zaken. Hij bleef de wereld beschimpen omdat hij hoopte daarmee voor Rabia aan te geven hoeveel hij verlangde naar het hiernamaals.

“Je moet wel erg veel van de wereld houden”, was Rabia’s commentaar.

“Als je niet zoveel van de wereld hield zou je het er niet zoveel over hebben. Het is altijd de koper die de waren beschimpt zodat de prijs naar beneden gaat en hij het kan kopen. Als je genoeg had van deze wereld zou je het niet zo vaak noemen, of het nu ten goede of ten kwade is; dan zou je er helemaal over zwijgen. Zoals het spreekwoord zegt: waar het hart vol van is loopt de mond van over”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Don`t copy text!

Word Vriend van de Mystieke School

Wil je verder lezen? Dat kan. Je kunt deze melding gewoon wegklikken, want wij doen niet aan betaalmuren.

Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze missie als je ons werk belangrijk vindt.

Word Vriend van de Mystieke School