Artikelen

De Tempel der Mensheid – Niveau 7 (Einde)

Toen hij aldus had gesproken, leidde mijn Geleider me naar boven, via een lange trap, smal en steil in het begin, maar breder wordend en gemakkelijker begaanbaar naarmate we verder kwamen. Toen we de top hadden bereikt, bevonden we ons op een hoger niveau van de toren, en hier betraden we de negentiende kamer.

Hier zag ik eerst niets. Om mij heen was als het ware een vormeloze mist, maar doordrongen van een levendmakende helderheid. Nu zag ik in de mist als het ware een kiem vormen, een punt van condensatie. Geleidelijk nam het een meer definitieve vorm aan. Het leek op een pure zoutkristal, hangend in de oceaan.

Toen verdween het kristal langzaam. Op de plek waar het was geweest, zag ik heuvels ontstaan. Deze werden concreter en ik zag de vormen van bomen verschijnen, en bloemen van elke kleur, met vlinders en insecten zoemend tussen de bloemen door, en de vissen sprongen in de rivieren.


Terwijl ik me verwonderde, brak de glorie van het Licht door de mist heen en ik zag onder me een prachtige tuin waarin Mensenkinderen, jongens en meisjes, tussen de bloemen speelden, blij en vrolijk met het geschenk van leven.

Toen hoorde ik mijn Geleider roepen:

“Zie, de Geest van de Eeuwige heeft door de chaos van de materiële Wereld de manifestatie van de mensheid bereikt!”

Toen de mist zich weer om mij heen begon te sluiten, volgde ik mijn Geleider naar de twintigste kamer. Hier zag ik voor mij in een veld van eenzaamheid de begraafplaats van de mensheid liggen. Geen levend wezen bewoog en er was geen geluid te horen. Terwijl ik staarde naar de verspilling van leven hoorde ik het geluid van een grote trompet, de stem van Israfel, die roept naar de mensheid.

Ik zag in het midden van het veld van eenzaamheid Azrael - de Engel des Doods - zittend in meditatie. Bij het geluid van de bazuin stond hij op en wapperde met zijn vleugels als een vermoeide vogel die op het punt stond om te gaan rusten. Daarna trok hij zijn grote vleugels rond zijn vorm, want de slaap van de eeuwigheid kwam over hem. In het veld van eenzaamheid zag ik de graven opengaan en de doden eruit opstaan. Het scheuren van hun grafkleding was als het gebrul van de zee die de barrière van het land probeert te breken.

Mijn Geleider greep mijn trillende hand en zei tegen mij:

“Vrees niet. Het is de stem van de Eeuwige die de mensheid roept. Zie hoe de adem van de Eenheid opstijgt op naar de geestenwereld en de ketenen van de materiële wereld terzijde werpt!”

Toen het visioen was vervaagd, volgde ik mijn Geleider naar de laatste kamer op dit verhoogde niveau van de toren, en deze was de eenentwintigste in getal.

Hier verscheen een jongeman op een mooi paard. Met ogen brandend van verlangen keek hij standvastig naar een jong meisje dat voor hem glorieus in haar naaktheid danste. Haar haar was versierd met slingers van rozenblaadjes. Aan de zijde van de jongeman strompelde een oude vrouw mee, de beugel aan het zadel met één hand vasthoudend, terwijl zij een zandloper in de andere hield. Daarin zag ik dat het zand snel opraakte.

Toen ik keek, zag ik plotseling een diepe afgrond opdoemen. Op dat moment rende een agressieve hond naar voren en beet in de benen van het paard om deze aan te moedigen door te lopen. Toen de ruiter dichter bij de afgrond kwam, veranderde het jonge meisje dat voor hem danste voor mijn ogen. De kleur op haar wangen veranderde in de tint van de dood terwijl de rozenblaadjes op haar hoofd verschrompelden en op de grond vielen. Ik zag haar haar zich als de grijze draden van een spinnenweb over de hemel verspreiden. Toen tuimelde de jongeman, die niet de macht had om de onstuimigheid van zijn ros te beteugelen, de afgrond in en stierf.

Terwijl mijn hart zwaar medelijden had met deze jongeman, hoorde ik mijn Geleider tegen me zeggen:

“Kijk en zie!”

Weer verscheen er een jongeman. Hij was gekleed in een harnas en in zijn hand hield hij een machtige speer. Gevaarlijke en wilde beesten zag ik op zijn pad verschijnen, maar hij keek noch naar rechts noch naar de links. Met de kracht van zijn speer dreef hij de beesten weg. Ik zag hem een steile berg vol obstakels beklimmen. Maar de obstakels leken voor hem te verdwijnen. Toen hij de top bereikte, scheen de zon en verlichtte zijn harnas. In de glorie van dat licht verdween het visioen voor mijn ogen.

Toen zei mijn Geleider tegen mij:

“'In de eerste kamer op dit niveau van de toren zag je de Goddelijke Geest opstijgen, door materie naar de menselijke wereld. In de volgende kamer werd aan je getoond de opstijging van de Goddelijke Geest, van de menselijke wereld naar de spirituele wereld. Dit is de betekenis van wat je in deze kamer hebt gezien. In de wereld waarin je leeft, bestaat er een evenwicht tussen materie en de Goddelijke Geest. Nu ligt er in het hart van elk mens een punt verborgen waarop dit evenwicht balanceert. En dit punt is het mysterie van zijn individualiteit, welke de kracht heeft om de balans naar de rechterhand of naar de linkerhand te draaien, naar materie die leidt naar de afgrond of naar de Goddelijke Geest die het moment van hereniging met de Eenheid versnelt. Wee hem daarom, die in de menselijke wereld toestaat dat de ledigheid van één uur de kracht van zijn individualiteit om de balans richting het Licht te keren laat verminderen.”

Toen leidde mijn Geleider me naar buiten en zei tegen mij:
“Ik heb je alles getoond, maar er is nog één kamer.”
Ik zei tegen hem: “Zijn mijn ogen waardig om te zien wat zich in deze kamer bevindt?”
Hij antwoordde:

“Als je het wenst te zien, moet je alleen naar boven gaan.”

Toen wees hij de weg naar een steile en kronkelige trap die naar het hoogste punt van de toren leidde. Met moeite en pijn begon ik alleen de trap op te lopen. Toen ik een grote hoogte had bereikt, zag ik voor mij de ingang van een kamer die werd afgesloten door een zware sluier. Ik duwde de sluier opzij en drong naar binnen.

Toen de sluier achter me was dichtgevallen, leek het alsof een grafsteen op een graf was gevallen. Ik dacht dat ik voor altijd was afgesneden van de wereld van de mensheid. Een gevoel van eenzaamheid bekroop mij en een verlangen om te bidden kwam in me op. Neerknielend aanbad ik het onbekende, zoekend naar verlichting. Geleidelijk nam de kennis van de dingen die ik had gezien in mij toe.

Toen ik mijn ogen ophief, zag ik dat de kamer waarin ik mij bevond veranderde in een ellips. In het midden daarvan zat een figuur op een troon, noch man noch vrouw maar de mensheid in de baarmoeder van de tijd, de ellips van het Absolute.

En terwijl ik staarde en mij verwonderde, zag ik een mystieke bloem aan de bovenkant van de kamer zijn vier grote bloembladen openen. Op elk van de bloembladen was een teken in vuur gebrand. Uit de diepten van de bloem schenen drie lichtstralen neer op de figuur die hem met pracht en wonder verlichten, zodat ik de overweldigende sereniteit van zijn gezicht zag - ooit jeugdig - waarop geen rimpel was te zien.

Toen kruiste de persoon zijn handen, zodat wijsvinger zich uitstrekte tegen wijsvinger en met de toppen van de wijsvingers raakte hij zijn lippen aan en plaatste daarop het zegel van stilte. Toen raakte mijn ziel verbijsterd door de schoonheid van dat gezicht en bedekte ik mezelf met mijn handen.

Toen ik weer mijn ogen opende, voelde ik de adem van de dageraad op mijn gezicht. Ik hoorde de leeuwerik boven me zingen, en de vreugde van kalmte was in mijn hart. En de morgenster scheen in al zijn glorie boven de eenzaamheid van de woestijn.

- Einde -

 

Bron: "The Mystic Rose from the Garden of the King" door Sir Fairfax Cartwright

De Tempel der Mensheid
De Tempel der Mensheid - Niveau 1

De Tempel der Mensheid - Niveau 2
De Tempel der mensheid - Niveau 3
De Tempel der Mensheid - Niveau 4
De Tempel der Mensheid - Niveau 5
De Tempel der Mensheid - Niveau 6
De Tempel der Mensheid - Niveau 7

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Advertentie