Artikelen

De rol van de deugd en goddelijke genade in de hermetica

In het Corpus Hermeticum kan de mens het goddelijke bereiken door de bemiddeling van een goddelijke gids of leraar. Hij wordt Hermes, Poimandres of Vader genoemd. Deze figuur onthult de waarheid alleen aan hem of haar die er actief naar op zoek gaat.

Om ware kennis te verkrijgen is niet alleen goddelijke interventie nodig, maar is ook menselijke inspanning noodzakelijk.

Er zijn veel hermetische verhandelingen waarin de deugd wordt beschreven als het enige dat de mens in staat stelt deze goddelijke gunst te winnen.

In het begin van de Poimandres verschijnt de goddelijke gids pas aan de auteur van de verhandeling nadat deze erin is geslaagd zijn geest boven zijn lichamelijke aard te verheffen door na te denken over de aard van het Zijn. Het goddelijke intellect Poimandres wijst erop dat hij dichtbij hen staat die zondeloos, goed, zuiver, barmhartig, vroom en deugdzaam zijn.

In de vierde verhandeling getiteld ‘Een redevoering van Hermes tot Tat: de Mengkom of Monade’ wordt gezegd dat toen de Schepper de mens schiep, Hij hem rede maar niet intellect gaf. De auteur van deze verhandeling beschouwt het intellect als superieur aan de rede omdat het intellect door een enkel moment van intuïtie iets kan begrijpen wat de rede alleen kan begrijpen door een reeks van elkaar opvolgende logische of rationele argumenten. Het intellect werd door de Schepper verborgen in een grote mengkom, als een prijs die de mens door zijn eigen inspanningen moet verkrijgen.

In de vijfde verhandelingEen rede van Hermes tot Tat, zijn zoon: Dat God onzichtbaar en volledig zichtbaar is’ zegt Hermes tegen zijn zoon Tat dat als hij God wil kennen hij de Vader moet bidden voor goddelijke hulp. De auteur wijst erop dat goddelijke genade, waardoor de mens de kennis van God kan bereiken, door God wordt verleend in verhouding tot de inspanning die de mens doet om deze kennis te verkrijgen. Het is duidelijk dat in deze verhandeling zowel de goddelijke genade als de menselijke inspanning noodzakelijk zijn opdat de mens de eeuwige zaligheid en kennis van het goddelijke verkrijgt.

In de negende verhandelingOver Begrip en Gevoel [dat het mooie en goede alleen in God zijn en nergens anders]’ wordt tegen Asclepius gezegd dat God goed is en geen door Hem geschapen schepsel oorspronkelijk slecht is, maar dat het zo wordt vanwege het verkeerde gebruik van zijn eigen energie. Daarom is het belangrijk dat iemand in de goede staat blijft waarin iemand door God is geschapen en niet daarvan afwijkt. Dit betekent dat de aanwezigheid van het kwaad in deze wereld niet aan God maar aan de mens moet worden toegeschreven. De mens brengt het slechte in deze wereld telkens wanneer hij kiest voor het kwade in plaats van het goede. De vierde verhandeling zegt:

[…] maar we (zijn) oorzaak van het kwaad wanneer we deze de voorkeur geven boven goede dingen.

In de dertiende verhandeling getiteld ‘Een geheime dialoog van Hermes Trismegistus op de berg met zijn zoon Tat: over opnieuw geboren worden en de Belofte om Stil te zijn’ krijgt Tat, de zoon van Hermes, pas van zijn vader de leer van de geestelijke wedergeboorte nadat hij erin is geslaagd om zich los te maken van de zintuiglijke wereld. Pas dan wordt hij waardig gevonden om de goddelijke openbaring te ontvangen die hem in staat zal stellen gered te worden.

Tot slot moet de mens in de Asclepius hard werken om het intellect te verwerven. Het bezitten van het intellect is noodzakelijk omdat de mens alleen dan door de goden de mogelijkheid krijgt om voor altijd met hen verenigd te zijn.

Lees verder: Wie is Hermes Trismegistus en Thoth?

 

0 0 stem
Article Rating
Abonneer
Abonneren op
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle opmerkingen
Het overnemen van tekst is niet toegestaan
0
Wil je reageren op dit artikel?x
()
x